ls je de huisarts bezoekt met klachten over een pijnlijke schouder is het dan ook nodig om daarbij melding te maken van een eventuele transgender achtergrond ? Meestal niet. Maar soms is zo’n achtergrond bij het verlenen van medische zorg wel degelijk van belang, en hoe breng je dat dan naar voren bij je zorgverlener en hoe kun je als zorgverlener het beste omgaan met LHBTI patiënten ?

De probleemstelling

Het verlenen van de juiste medische zorg aan LHBTI personen levert ondanks alle goede wil regelmatig problemen op. Soms is dat het gevolg van vooroordelen, soms van een gebrek aan deskundigheid, soms van wantrouwen tussen patiënt en zorgverlener, soms van ingewikkelde bureaucratie, en soms gaat het door een ongelukkige samenloop van omstandigheden ondanks alle goede bedoelingen toch mis.

In de meeste landen is de uitvoering van de gezondheidszorg bij wet geregeld, wat tot de indruk kan leiden dat er zich ten aanzien van de zorg aan LHBTI personen geen problemen meer kunnen voordoen. Dat is niet altijd het geval. De inrichting van de gezondheidszorg is in de praktijk vaak gebaseerd op gevestigde werkwijzen en opvattingen die niet altijd precies parallel lopen met de regelgeving. Vooral bij transgender patiënten kan in sommige landen de regelgeving problemen opleveren, met name als niet duidelijk is of een patiënt in administratief opzicht als man of als vrouw moet worden beschouwd.

Het onderzoek

Met steun van de Raad van Europa is gedurende de afgelopen twee jaar een gedegen onderzoek uitgevoerd naar de achtergronden van de problemen die zich kunnen voordoen bij het verlenen van zorg aan patiënten met een LHBTI achtergrond.
Op 1 en 2 februari 2018 werd dit project in Brussel afgesloten met een tweedaagse conferentie.

Het onderzoek werd uitgevoerd door een samenwerkingsverband van organisaties in zes lidstaten, te weten: België, Bulgarije, Italië, Litouwen, Polen en het Verenigd Koninkrijk. In elk van de zes landen werden steeds twee focusgroepen gevormd met elk maximaal tien leden. Eén focusgroep met personen afkomstig uit de LHBTI gemeenschap, en een andere met zorgprofessionals die betrokken waren bij de zorg aan LHBTI personen. Ondanks de bescheiden doelstelling van tien leden per groep lukte het in sommige landen niet om voldoende deelnemers te vinden. Met name de groep Intersekse personen, waarover toch regelmatig medische problemen worden gemeld, is hierdoor ondervertegenwoordigd gebleven.

Resultaten

In de omgang met LHBTI personen zien zorgverleners zich vaak voor een dilemma geplaatst. De eenvoudigste aanpak bij het verlenen van zorg is meestal om de patiënt neutraal te benaderen en zich uitsluitend in technische zin bezig houden met de naar voren gebrachte klachten. Een eventuele LHBTI achtergrond is dan volledig irrelevant. Maar soms is het wenselijk om de naar voren gebrachte problemen te bezien in de context van de gehele persoon, inclusief diens achtergrond.

Daarmee kan de zorgverlener dan gemakkelijk in een mijnenveld belanden. Kan er in een dergelijk geval het beste van worden uitgegaan dat de meerderheid van de patiënten heteroseksueel en cisgender is, of moet er rekening mee worden gehouden dat dit soms anders ligt ? In beide gevallen is er het risico op aanvaringen, hetzij met LHBTI patiënten die ten onrechte voor heteroseksueel en cisgender worden aangezien, hetzij met patiënten die volledig heteroseksueel en cisgender zijn en die zich gekwetst voelen omdat de dokter het heeft gewaagd om dat ter discussie te stellen. Vaak ligt dit onderwerp zo gevoelig dat men er voor kiest om de discussie uit de weg te gaan. Dit kan er toe leiden dat een zorgverlener de indruk krijgt dat er in de betreffende praktijk nauwelijks patiënten met een LHBTI achtergrond zijn. Als een zorgverlener echter niet bekend is met de LHBTI achtergrond van een patiënt dan wordt het ook lastig om klachten die wèl LHBTI gerelateerd zijn als zodanig te duiden.

Dit wederzijds ongemak kan tot een situatie leiden waarin een LHBTI patiënt vermijdt om de specifieke geaardheid ter sprake te brengen uit vrees dat de zorgverlener daar negatief op zal reageren. Gemeld wordt dat een patiënt die meermalen negatieve ervaringen met zorgverleners heeft opgedaan de nijging krijgt om de zorg volledig te mijden.

Soms is de situatie echter nog ingewikkelder. Ook in de gezondheidszorg werken personen die tot de LHBTI groep behoren. Maar een dokter die zelf tot de LHBTI groep behoort kiest er in de praktijk vaak voor om die informatie voor zichzelf te houden uit vrees dat sommige patiënten dit als een probleem zullen ervaren. Het blijkt lastig om een zorgpraktijk als LHBTI vriendelijk te presenteren zonder daarbij andere groepen patiënten voor het hoofd te stoten. Hier ligt een probleem wat alleen met de gezamenlijke inspanning van zowel de zorgverleners als de LHBTI gemeenschap kan worden opgelost. Het dragen van speldjes en buttons die uitsluitsel geven over iemands geaardheid werd wel gesuggereerd, maar werd door weinigen als een goede gedachte gezien.

Als zorgverlener en patiënt eenmaal het punt hebben bereikt dat zij open over de geaardheid en de daarmee samenhangende leefgewoonten van de patiënt kunnen spreken dan doemt alweer een volgende barrière op: een gebrek aan kennis van zaken bij de zorgverlener. De LHBTI groep bestaat weliswaar uit vijf hoofdgroepen, maar elke hoofdgroep valt uiteen in vele subgroepen die op hun beurt bestaan uit individuen met elk een eigen persoonlijk verhaal. De diversiteit binnen de LHBTI groep is zo groot dat het voor een zorgverlener vaak ondoenlijk is om ten aanzien van dit brede spectrum voldoende kennis te bezitten. Verder wijzen zorgverleners op het gebrek aan informatie rondom het welbevinden van de groep Intersekse personen.

Aanbevelingen

Zorgverleners geven aan dat zij zich vaak gehinderd voelen door enerzijds een gebrek aan kennis, en anderzijds door achterhaalde inzichten die gebaseerd zijn op de opvatting dat LHBT personen lijden aan een psychiatrische stoornis. Dat inmiddels de opvattingen op dat punt zijn veranderd betekent niet automatisch dat daarmee ook de achterhaalde kennis uit het collectieve geheugen is gewist. Met name bij de communicatie tussen dokters onderling kan dit een rol spelen.

Door veel zorgverleners werd dan ook aangevoerd dat het nodig is om via contacten met LHBTI gemeenschap voortdurend de kennis over de materie up-to-date te houden. Omdat de leefomstandigheden van LHBTI personen mede afhangen van hun etnische afkomst en sociale leefomgeving is het van belang om ook die aspecten daarin te betrekken. Omgekeerd werd door zorgverleners naar voren gebracht dat binnen de diverse takken van zorg sprake kan zijn van uiteenlopende zeden en gewoonten en dat het daarom wenselijk is om de inhoud van de cursussen op de doelgroep af te stemmen. Benadrukt werd ook de nuttige rol die het binnen een organisatie werkzame personeel met een LHBTI achtergrond kan spelen bij het formeel en informeel bijpraten van collega’s.

Benadrukt werd (door zorgverleners !) dat een dergelijke nascholing voor alle betrokkenen verplicht zou moeten zijn, omdat anders moet worden gevreesd dat juist zij die deze scholing het meest nodig hebben daarvan zullen wegblijven. Benadrukt werd ook dat deze informatie-uitwisseling niet alleen de dokters, maar ook het ondersteunend personeel moet omvatten. Zij zijn immers het eerste aanspreekpunt voor de patiënt en nemen soms ook belangrijke beslissingen over de afhandeling.

Behalve voor de directe zorgverleners zijn dergelijke cursussen ook van belang voor bijvoorbeeld ambulancemedewerkers, geestelijke verzorgers in ziekenhuizen, en voor degenen die telefonische hulplijnen bemensen. Gemeld werd een anekdote over een hulplijnmedewerker uit een naburig Westeuropees land die toen hij werd gebeld door een transgenderpersoon met zelfmoordplannen als antwoord gaf: ‘Transgender, ja dat hebben we bij de training wel eens gehad, maar ik zou nu niet zo snel weten wat ik u in dat geval zou moeten antwoorden’.

Literatuur

De resultaten van het onderzoek zijn vervat in twee dikke rapporten.

De rapportage over de resultaten van de Focus-groep studie is erg praktisch van aard en wordt zeer aanbevolen voor zowel zorgvragers als zorgverleners.

Health4LGBTI, Final overview report on the outcomes of the focus groups,
2017, 84 pag.

https://ec.europa.eu/health/sites/health/files/social_determinants/docs/focusgroup_sr_en.pdf

De volledige rapportage is vervat in een wetenschappelijk document wat meer gericht is op degenen die zich vanuit een wetenschappelijke achtergrond met het onderwerp bezighouden.

Health4LGBTI, State-of-the-Art Synthesis Report,
2017, 250 pag.

https://ec.europa.eu/health/sites/health/files/social_determinants/docs/stateofart_report_en.pdf

Bron: https://www.vereniging-genderdiversiteit.nl/2018/02/health4lgbti/

LEAVE A REPLY

Please enter your comment!
Please enter your name here