Man óf vrouw, niets lijkt meer bepalend in ons bestaan. In de geslachtskeuze zou moeder natuur dus duidelijk moeten zijn. Maar die is het niet altijd. Waarom niet: zaaien de genen onrust, spelen de hormonen op, of stuurde de opvoeder misschien averechts? Het zit te ingewikkeld voor een antwoord. Weet je het echt niet van jezelf, tel dan je knopen: jongen, meisje, jongen, meisje, jongen, meisjehh…, ,,Jongen!’ Wie zou zo de vertwijfeling durven te ridiculiseren van de meisjesjongens die onlangs in The New England Journal of Medicine werden beschreven?

Meisjesjongens? Het betrof baby’s die in genetische zin als jongen, met een X- en een Y-chromosoom, werden geboren maar door een embryonale weeffout een ernstig misvormd onderlijfje hadden. Zonder duidelijke geslachtskenmerken, of duidelijker, soms met een halve, soms zonder piemel. Aanvankelijk machteloos leerde de chirurg halverwege de vorige eeuw die misvormingen te repareren, al bleef het boetseren van een fatsoenlijke penis moeilijk. Decennialang verkoos men daarom deze jongens, na verwijdering van de testikels en de nodige chirurgische ingrepen, als meisje te laten opgroeien. Kind en omgeving wisten niet beter, en de ouders zwegen. Laat moeder natuur ons die keuzevrijheid van geslacht? De Nieuw-Zeelandse seksuoloog John Money beweerde in de jaren vijftig dat de opvoeding over de natuur regeert en dat onze genderidentiteit zich laat kneden. Komt een jongen zonder of met een onvolgroeide penis ter wereld, maak hem een meisje. Wees consequent in de opvoeding, en vertrouw erop dat bij hem het gevoel zal ontluiken een meisje te zijn. Dat Money maar half gelijk had bleek ooit uit het geval John/Joan. Het jongetje John verloor bij een mislukte besnijdenis zijn penis en werd, na chirurgische vervrouwelijking van de geslachtsorganen, als het meisje Joan opgevoed. Ongestraft ging dat niet: Joan was op jonge leeftijd al jongensachtiger dan haar (eeneiige) tweelingbroer, verkoos later weer man te zijn, en trouwde. Joan vernam op haar 14de wat er ooit was gebeurd. Van de zestien meisjesjongens die nu in The New England Journal of Medicine (vol. 350, nr. 4) figureren, concludeerden vier al op jongere leeftijd ‘uit eigen gevoel’ dat er een man in hen school. Ook al ontkenden de ouders het ten stelligste. Vier andere meisjes zag je, spoedig nadat ze door hun ouders waren ingelicht, in zichzelf knikken van ‘Zie je wel, dat onbestemde gevoel van…’. Moet je hier concluderen dat de verborgen identiteit zich niet laat ketenen? Ook die slotsom is te boud: van de zestien meisjes leven er nu acht als jongen, vijf zijn nog altijd tevreden als meisje en drie leven ergens in het midden van man en vrouw, al erkennen twee van die drie dat ze jongen zijn. Het geslacht kan ernstig in dubio staan. Toch betrof het hier in genetische zin ‘pure jongens’, die louter om een aangeboren misvorming een jurkje kregen aangetrokken. Jongens met een meisjesmasker, kun je zeggen, maar in feite jongens. Waarom wilden zij dan als meisje niet allemaal ‘terug’, terug naar hun oorspronkelijke geslacht? Hier komt de vraag op wie of wat de regie voert over onze geslachtsidentiteit. Die identiteit moet voortkomen uit het plussen en minnen van drie factoren: genen, hormonen en omgevingsinvloeden. Zo er al een kapitein is op dit driemansvaartuig, dan moeten het de hormonen zijn. Blootstelling van het prille embryo van een jongen of meisje aan een niet gepaste dosis geslachtshormonen kan de gendergedaante immers dwingend beïnvloeden. Grof geschetst: XY’s -jongens dus- die in de baarmoeder hormonen ontberen of er (gedeeltelijk) ongevoelig voor zijn, worden met uiterlijk ‘halfslachtige’ organen geboren, min of meer als meisjesjongens. En XX’en -meisjes dus- die in de baarmoeder een hormoonstoot ondergaan, kunnen met half vermannelijkte geslachtsorganen worden geboren, min of meer als jongensmeisjes. Uiteindelijk zorgt het variërende hormonenspel voor een continuüm aan geslachtsidentiteiten, met aan één uiteinde de hanigste, stoerste mannenmannen en aan de overzijde de zachtste, meest sociale vrouwenvrouwen. Zo kennen we de mensenwereld een beetje: van man staat tot vrouw als bal staat tot pop. Binnen die vergelijking zoekt ook het kind met een verstoorde genderontwikkeling een plaatsje, allereerst gestuurd door het gendergevoel dat de hormonen hem/haar influisterden. Dat hormonen de grote stuurder zijn, valt ook bij dieren te bewijzen: als je mannelijke konijnenfoetussen castreert, waardoor ze nauwelijks geslachtshormonen aanmaken, worden het vrouwtjes. Qua uitwendig geslacht althans. Geef je jonge meisjescavia’s een flinke dosis testosteron, dan worden het jongens. Kortom, de hormonen sturen het geslacht en beïnvloeden daarbij ook de aanleg van verschillende hersenstructuren bij man en vrouw. Dachten we. Helaas, de natuur houdt niet van rechtlijnigheid. De genderrol die kinderen die voor hun geboorte blootstonden aan een afwijkend hormoonregime kiezen, blijkt nauwelijks voorspelbaar. Nieuwe studies laten nu zien dat we qua hersenen al bezig zijn om man of vrouw te worden, ruim voordat hormonen mee gaan sturen. Misschien maakt dat reeds ontwikkelde brein uiteindelijk uit hoeveel invloed de hormonen later nog hebben. Een bizar bewijs daarvoor kijkt je aan vanuit het vakblad Nature (29 januari): een zebravink die aan de rechterkant mannetje is, aan de linkerkant vrouwtje. Ter rechterzijde zit hij in het knappe verenpak van een mannenvink, en heeft een zaadbal, ter linkerzijde draagt zij de wat sjofele veren van een vrouwenvink, en heeft er een eierstok. De hersenen rechts doen mannelijker aan dan links, wat raar is als de hormonen die cerebrale bouw in hun eentje zouden bepalen. Je mag toch aannemen dat het hele vinkenkoppie aan dezelfde mix van hormonen heeft blootgestaan, maar blijkbaar trokken de reeds gevormde hersens links en rechts zich er niet hetzelfde van aan. Dat proberen neurobiologen nu verder uit te zoeken, door sommige hersendelen van mannen- en vrouwenvogels te verwisselen, nog voordat de geslachtsklieren die de hormonen produceren zijn gevormd. Mannenkwartels met een stukje vrouwenbrein brengen het niet helemaal meer tot man, noch in anatomie noch in voortplantingsgedrag. Vrouwenkwartels met een beetje mannenbrein gedragen zich gewoon als vrouw. Het heeft er bij de kwartel alle schijn van dat de man zijn eigen, typisch mannelijke brein nodig heeft om volwaardig man te worden. De aanleg van die hersens is een genenspel dat blijkbaar voor het hormonenspel uit gaat, met een eigen dirigent voor man en vrouw. Zo is in de embryonale kopjes van muizen aangetoond dat al vroeg minstens 51 genen bij de mannen een andere partij blazen dan bij de vrouwen. In die pre-hormonenfase gaan de geslachten kennelijk al ieder huns weegs. Konden we dat erfelijke pad doorgronden, oppert een geneticus in Nature, dan zouden we misschien meer zekerheid hebben over de vraag welke weg kinderen die dubben over hun geslacht later zullen verkiezen. En zou je bij kinderen met dubbelzinnige geslachtskenmerken op betere gronden kunnen besluiten ‘Maak er maar een meisje van’ of ‘Nee, laten we het op een jongen houden’. Of is dat een illusie? In haar onlangs verschenen ‘Brain Gender’ schetst de psychologe Melissa Hines een wirwar van tegenstrijdigheden in onze geslachtsbeleving, in ons kerngevoel van man of vrouw te zijn. De natuur blijkt een warrige regisseur, die niet wil onthullen waarom sommige mensen zich zó ongelukkig voelen in hun identiteitsgevoel dat ze er een fortuin, ingrijpende operaties en diep onbegrip van de mensen om hen heen voor overhebben om geslachtelijk rechtsomkeert te maken. En anderen tevreden zijn in hun man- of vrouwgevoel. Wie of wat trekt dat gevoel bij sommigen dan zo scheef? Hines kan geen hoofdverdachte aanwijzen. In haar boek trekt een stoet voorbij aan mensen met eigenaardigheden in hun genetische of hormonale huishouden, van wie velen tevreden maar anderen diep ongelukkig zijn. Vaak los van het feit of ze er gewoon als jongen of meisje uitzien. Dwingende terreur van de genen óf de hormonen lijkt niet te ontdekken. En voor de suggestie dat sommige ouders onbarmhartig hun wens ‘We hadden liever een zoon (of dochter) gehad’ doordrijven, is geen spat bewijs. Noch de bioloog, noch de opvoeder kan zeggen bij wie je zeker verwarring en verdriet kunt verwachten, en bij wie niet. Zelfs van de jongens uit The New England Journal of Medicine, die reden hadden in hun identiteit te ontsporen omdat het toch écht jongetjes waren, schikt de helft zich in de meisjesrol. Er is geen sjabloon dat past op ons geslachtsgevoel, of het moet een sjabloon van uitzonderingen zijn. Moeten we soms eerst maar eens leren begrijpen wat nu eigenlijk het mannen- of vrouwenwezen uitmaakt? Anders gezegd, weet u lezer, die nooit met dit probleem worstelde, eigenlijk wel wat het was om man (of vrouw als u een vrouw bent) te worden, en op een goed moment te zijn? Want één van die twee moet u zijn. Of niet? In haar oratie bij het aantreden als hoogleraar medische psychologie aan de gendervakgroep van de VU in oktober grapte Peggy Cohen-Kettenis dat er twee categorieën mensen zijn: zij die denken dat er twee categorieën mensen zijn -vrouwen en mannen-, en zij die beter weten. Weten dat de natuur in het onderscheid tussen man en vrouw geen absolute tweedeling hanteert. Verwacht van Cohen daarom niet het oordeel dat ze die ‘echte’ jongens uit The New England Journal nooit meisje hadden mogen maken. ,,Dat is achteraf praten. Hoe konden ze zo naïef zijn, hoor je. Gemakkelijk om dan te zeggen dat je jongens met onderontwikkelde geslachtsorganen niet louter moet vervrouwelijken omdat de chirurg het de eenvoudigste weg acht. In gebieden waar de kennis over geslachtshormonen en de aanleg van het brein achterblijft, gebeurt het vermoedelijk nóg. Laten we wel wezen, de helft van deze kinderen is tevreden met het geslacht dat hun is toegewezen.’ En nog wat: ,,Nu we meer weten van die hormonen, schieten sommigen in de andere richting door: voedt iedereen die in de baarmoeder blootstond aan androgenen op als jongen, ook de echte (XX-)meisjes, die gaan zich toch jongensachtig gedragen. Maar is dat wél verstandig? Ik weet het niet.’ Illustrerend voor de gepaste twijfel zijn enkele tientallen kinderen uit de Dominicaanse republiek, Nieuw-Guinea en de Gazastrook, die leden aan een enzymgebrek waardoor de geslachtshormonen niet goed aansloegen. Omdat ze er uitwendig uitzagen als meisje, werden ze als meisje opgevoed. ,,Maar in de puberteit vermannelijkten ze, nadat de in hun buik verborgen testikels testosteron gingen aanmaken. Sommigen van hen wilden ook als man gaan leven, maar dat gold niet voor iedereen.’ Waarom gaat de een twijfelen, ontwikkelt genderdisforie, en de ander niet? Cohen weet het niet en kán het ook niet weten, omdat het ingewikkelde samenspel tussen natuur en leefomgeving de beslissende momenten op weg naar ons man- of vrouwgevoel verhult. ,,Dat gevoel is een non-issue voor iedereen die vanaf de eerste seconde van zijn leven dat ene pad bewandelt. Waar de wijzers altijd dezelfde kant op staan. Het hebben van een seksuele identiteit lijkt een mechanisme te zijn dat zichzelf almaar versterkt. Biologische factoren mogen dan aanvankelijk het pad bepalen, de prille identiteit wordt vervolgens door tal van sociale invloeden benadrukt. Zolang die alle meewerken in dezelfde richting, van steeds meer jongen of steeds meer meisje, en elk conflict ontbreekt, bekommer je je niet om die voortdurende optelsom die je tot man of vrouw maakt.’ ,,Maar sommige kinderen moeten bij elke stap nadenken, zoals het meisje geboren met een zekere mannelijkheid. Misschien is het dan maar net hoe de omgeving reageert op de signalen die zij uitzendt -op haar gedrag, postuur en uiterlijk- of ze later tevreden is met haar vrouw-zijn. Of gaat twijfelen en zelfs gruwelen als haar vrouwelijke lichaam zich ontwikkelt. In het laatste geval uit zich een onvrede die al lang meespeelt op de achtergrond. Bij wie het stoere en het stoeien erin zaten. Ik ben nog nooit een frêle en supervrouwelijk meisje tegengekomen dat op haar 12de plotseling te kennen gaf: ‘Nu wil ik een jongen worden’. Al kun je die wens lang voor je uitschuiven. ,,Realiseer je dat de identiteit in de kindertijd niet zo op de voorgrond staat. De lijfjes zijn nog niet zo verschillend. En sommigen roepen hard dat ze een piemel willen, maar anderen vinden het wel best en denken ‘Later krijg ik er een’. Voetballen en raggen, dat lukt vaak allemaal toch wel, en zo kun je lang voor jezelf doen alsof je later wel een jongen wordt. Maar dan komt de puberteit en is er geen ontkennen meer aan.’ Hooguit een kwart van de kinderen met een genderdisforie wil dan een geslachtsmetamorfose ondergaan. Misschien kun je van hen net zo goed zeggen dat zij kiezen voor de identiteit die ze altijd al hadden. Zij weten het, en vaak weten ze het zeker. Maar anderen blijven nog lang tobben, zonder richtingwijzer, net zoals die wonderlijke zebravink, rechts in jongensveren, links in meisjesdracht. tekst: Martin van der Laan De Trouw 03-24-2004

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here